1851

In oktober treedt de gemeenteraad in nieuwe samenstelling aan. Hiervan maken deel uit Antheunis Boogert, Joos van der Weele, Adriaan van Sweeden, Jacob Schoonenboom, Jacob Meerman, Francois van Eenennaam en Jan Louis de Troye. Tot wethouders worden gekozen Adriaan van Sweeden met 6 stemmen en Francois van Eenennaam met 4 stemmen. De zittende wethouder Joos van der Weele krijgt slechts 3 stemmen en wordt dus gepasseerd. Ook burgemeester Boogert maakt dus als lid deel uit van de gemeenteraad. C.J. Baars wordt herbenoemd als secretaris en ontvanger.

In de eerste vergadering van de nieuwe gemeenteraad legt de secretaris een formuliergebed voor het gebruik bij het openen en sluiten van de vergaderingen van de gemeenteraad over zoals voorgeschreven in het nieuwe Reglement van Orde. Deze formulieren worden voorgelezen en door de vergadering goedgekeurd om te gebruiken. Hiermee wordt voor het eerst na vele jaren het ambtsgebed ingevoerd.

De Gouverneur van Zeeland stuurt een brief over de afkondiging van gemeenteverordeningen. Naar aanleiding daarvan wordt besloten de afkondiging, zoals gebruikelijk tot nu toe, van de pui van het Stadhuis te doen plaatsvinden. Voortaan zal echter vóóraf de klok van het Stadhuis worden geluid; 5 minuten daarna zal de burgemeester van de pui van het Stadhuis door de secretaris of een andere beambte van het gemeentebestuur de verordening laten voorlezen. Onmiddellijk daarna zal het formulier van afkondiging ‘aan het plakkebord ten Stadhuize worden vastgehecht’.

* * *

Hoewel de financiële toestand van de gemeente niet direct rooskleuriger is, geeft de gemeentebegroting voor dit jaar toch een vermindering van de hoofdelijke belasting te zien. Deze vermindering is hoofdzakelijk bedoeld tot ontlasting van de vissers ‘alzo deze door de steeds geringe visvangst meer en meer in de onmogelijkheid geraken om deze te kunnen dragen’. De vissers kunnen de hoofdelijke omslag niet meer opbrengen; de invordering is vruchteloos. Ook de meer gegoeden lijden er onder dat sinds de vaststelling van de begroting voor 1851 er weer een nieuwe last is ontstaan vanwege het herstel van het verzakte Molendijkje voor ongeveer ƒ 166.
Het provinciaal bestuur keurt de uitgaaf van ƒ 166 voor het herstel van het zeedijkje van de Molenpolder goed. Aanbevolen wordt om het advies van de Hoofdingenieur van de Waterstaat op te volgen en voortdurend peilingen te verrichten omdat de oorzaak van het kwaad met het herstel niet wordt weggenomen. Daardoor kunnen tijdig de juiste middelen daartegen worden aangewend.

A. van Eenennaam verzoekt toestemming ‘voor het zetten van een houten beschutting rond zijn erve in de Nieuwstraat en aan die uitkomende in het Papestraatje, teneinde het vernielen van zijn aldaar geplante doornehagen te voorkomen’.

Ook de scheepswerfbaas Adriaan Meerman verzoekt om een stukje voor zijn woning gelegen grond te mogen huren om wat vrijer te kunnen zitten ‘om het onnutte en gedurige spel dat aldaar door enige jongens plaats vindt te doen ophouden’. Er wordt mee ingestemd dat hij op eigen kosten het erf van zijn woning van een schutting mag voorzien. Ook wordt Meerman tot verdere uitbreiding van zijn scheepswerf 78 ellen grond, gelegen voor z’n woning tegen de scheepswerf aan de Zuidwal, in gebruik gegeven.

De bakkers Laurens van Eenennaam (op de hoek Langstraat/Westdijkstraat) en Christiaan Johannis Crucq (op de hoek van de Markt/Marktstraat) schrijven de gemeenteraad, dat zij bij voortduring de schadelijke gevolgen ondervinden van een niet geregeld en nauwlettend toezicht op de invoering van brood van elders in onze gemeente. Zij verzoeken de invoer van brood te verbieden en een bepaald persoon voor de surveillance aan te stellen.
Burgemeester Boogert wijst er op, dat het grof tarwe brood in andere gemeenten 12½ cent en bij de Arnemuidse bakkers 16½ cent kost. Naar zijn mening moeten onze bakkers hun prijzen eens aanpassen. Raadslid Frans van Eenennaam neemt het echter voor de bakkers op ‘op grond van zijn vele jaren ervaring met die affaire’. Hij begrijpt niet dat bakkers in andere gemeenten hun brood tegen zo’n lage prijs kunnen verkopen. Zijns inziens is dat alleen tot schade van de Arnemuidse bakkers bedoeld. Ook raadslid Kesteloo, de molenaar, ‘als zijnde ooggetuige van de frauduleuze invoer tot grote schade van de bakkers en van de stad’ ondersteunt het verzoek van de beide bakkers, terwijl ook de andere leden dit toestemmen.
De gemeenteraad besluit dan ook de invoer te beletten van brood, gemalen tarwe en rogge en verder van die graansoorten vervaardigd gebak zonder voorzien te zijn van een bewijs dat de hierop staande invoerrechten zijn betaald.

De bij bakker Lauw van Eenennaam gehaalde broden worden thuisgebracht in 1850.
De bij bakker Lauw van Eenennaam gehaalde broden worden thuisgebracht in 1850.

Tot voorkoming van de ontduiking van de plaatselijke belasting op de inkoop van brood worden veldwachter Glerum en stadsbode Harthoorn speciale aanstellingen gegeven als onbezoldigd commies belast met het toezicht op de invoer van brood. Zij krijgen voor hun surveillancediensten gratificaties van ƒ 10 en ƒ 5.

De stadsschoonmaker Klaas Flink vraagt voor het onderhoud van de straten en de goten om een kruiwagen.
De nieuwe veldwachter Glerum verzoekt ontslag uit zijn nevenfunctie van klokkesteller, maar met behoud van zijn bezoldiging. Hiermee wordt in verband met de financiële toestand van de stad niet akkoord gegaan.
Het gras op de begraafplaats wordt verpacht aan Joos van der Weele; de vorige pachtster, de weduwe Marteijn, stelt hier geen prijs meer op.

* * *

Er ontstaat deze jaren ook een rechtszaak tussen het gemeentebestuur en de weduwe van de enkele jaren geleden overleden timmermansbaas J.K. Crucq. De vermogende weduwe M. Crucq-Franse heeft, nadat haar man op 43-jarige leeftijd is overleden, haar woning aan de noordzijde van de Langstraat verlaten en de nog door haar man in april 1844 gekochte hofstede van het eveneens in 1846 overleden, vroegere gemeenteraadslid Leendert Wisse betrokken. Deze hofstede ligt aan het Arnemuidse voetpad aan de overzijde van het vroegere veertje. De weduwe Crucq is van mening dat het ‘einde dijk op weg naar de zaagmolens’, wat thans door de gemeente aan Laurens van Eenennaam wordt verpacht, vroeger bij de landerijen van Wisse behoorde en nu dus haar eigendom is.

Zorgen zijn er dit jaar over Jan Oversluijs, de stadsheelmeester. Wegens misbruik van sterke drank ziet de gemeenteraad zich in de allernoodzakelijkste verplichting gesteld om Oversluijs te schorsen als heelmeester van stad en armen en wel tot voorkoming van ongelukken.
Er wordt dit jaar een oefening gehouden met de brandspuit. Daarbij blijkt dat de zuigers in een onvoldoende staat verkeren, zodat onmiddellijk opdracht gegeven wordt voor vernieuwing voor ƒ 50. Daarna wordt opnieuw een oefening met de brandspuit gehouden. Daarbij blijkt dat de spuit volkomen in goede staat is. Wel blijkt dat beide slangen, die al gedurende dertig jaar zijn gebruikt, op diverse plaatsen zijn opengebarsten. Sinds lang is de noodzakelijke vernieuwing erkend, doch de stand van de financiën van de stad vorderde een zo lang mogelijk gebruik. Besloten wordt nu om twee nieuwe lederen slangen van ƒ 2,25 per Nederlandse el aan te schaffen.

De assistent-brandmeester Pieter van Eenennaam vertrekt metterwoon uit de gemeente. In zijn plaats wordt Jan Hendrik Harthoorn, de stadsbode, aangesteld. Ook de secretaris van de brandweer P.J. Crucq legt zijn functie neer en wordt opgevolgd door Jacob Crucq, de timmermansbaas. Jacob Crucq wordt overigens ook benoemd tot lid van de plaatselijke schoolcommissie.

Weversbazen over de calicotweverijen zijn A.J. Beerthuis en J.H. van Weerd. Baas Beerthuis verzoekt de burgemeester om ook de bovenste zolder van het Stadhuis tot weverij in te richten. Deze kan hiermee akkoord gaan op voorwaarde dat ‘zo tot vrijheid van de raad als tot wegneming van geraas, de achterkamer van het Stadhuis komende over de vergaderkamer ontruimd wordt en die kamer geheel ten dienste van de regering afgesloten wordt’. De heren Salomonson worden dan ook verzocht de achterkamer te ontruimen en de daarin geplaatste weefstoelen te verplaatsen naar de bovenste zolder, terwijl de achterkamer dan ten dienste zal blijven van de stad.

* * *

Ondanks de krachtige organisatie van het schoolonderwijs in Arnemuiden door meester Kwekkeboom bezoekt toch een groot aantal kinderen niet de school. Dit blijkt uit de volgende gegevens over het schoolbezoek, waaruit ook de armlastige toestand van de inwoners enigszins kan worden afgeleid.
De naamlijst van de thans schoolgaande kinderen telt 96 leerlingen. Van ruim de helft hiervan stellen de ouders nog enige prijs op het onderwijs en lijden, doordat ze hun kinderen de school willen laten bezoeken, min of meer gebrek.
De naamlijst van de kinderen van minvermogende ouders telt 103 schoolplichtigen. De ouders van deze kinderen stellen òf op het onderwijs geen prijs óf willen of kunnen hun kinderen toch niet naar school sturen. Ook al zou de school kosteloos zijn zou dit nog onmogelijk zijn, daar vele 8- tot 12-jarigen wegens het verblijf van vader op zee en het dagelijks met vis leuren van moeder om in het nodige levensonderhoud te voorzien verplicht zijn thuis te blijven. Dit om op jongere broertjes of zusjes te passen of om ook in het levensonderhoud van het gezin te voorzien (b.v. door te werken in de weverijen).

Het Provinciaal Kerkbestuur verzoekt het gemeentebestuur de godsdienstige en zedelijke toestand te Arnemuiden, waaronder het schoolonderwijs aan kinderen van behoeftigen, zoveel mogelijk te bevorderen. Voor het godsdienstonderwijs wordt uit de provinciale fondsen een bedrag van ƒ 40 verleend. Daarnaast wordt nog eens ƒ 40 subsidie gegeven voor het onderwijs aan kinderen waarvan het vermoeden bestaat dat ze om financiële redenen niet naar school gaan. Met dit bedrag kan voor 25 kinderen iets gedaan worden.

Het navolgende antwoord van de gemeenteraad is veelzeggend en - om een juist beeld te verkrijgen van de kerkelijke situatie omstreeks deze jaren - het vermelden waard:

Hoezeer wij ook prijs stellen op het onderwijs, wij kunnen echter niet toestemmen dat de godsdienstige toestand daarmede zal bevorderd worden, alzo al het godsdienstige onderwijs dat vroeger in de school gegeven placht te worden heeft opgehouden en wij ook daarin geen verbetering tegemoet zien, zolang den tegenwoordige Leraar (ds. Haesebroeck) in deze gemeente gevestigd blijft.

* * *

Wat de visserij betreft kan het volgende worden vermeld.
Dit jaar wordt de grote visserij vanaf 15 februari tot het laatste van december uitgeoefend met 16 visschuiten.
Over het algemeen is de vangst, hoewel zeker niet minder dan in 1850, nog weinig voordelig. Tot Pinksteren wordt er matig schol, tong en tarbot gevangen. De vis houdt zich ver van de kust op. Willen de vissers een goede reis maken, dan moet men zich ver uit de kust begeven en veel durven wagen.
Van Pinksteren tot na de zomer wordt er weinig of niets gevangen, zomin buitengaats als in de Zeeuwse wateren.
Maar vanaf eind augustus tot half november komt de rog op de kust. Wekelijks wordt er nu ƒ 3 à ƒ 8 per man verdiend. Dit spoort de vissers temeer aan om Zijne Majesteit de Koning vergunning te vragen om tot eind december door te mogen vissen. Hiervan is met gunstige resultaten gebruik gemaakt.

Secretaris Baars tekent in z’n jaarverslag aan dat ‘hij niet gelooft dat de zee nog ooit zoals nu aan de vissers zoveel voordeel heeft aangebracht, alzo de zee nog rijk aan vis is bevonden. Zodat wij ons in waarheid over Gods Goedheid ten opzichte van onze vissers, nu in dit getij des jaars mogen verblijden, alzo zij in staat worden gesteld om in de behoeften hunner huisgenoten tot op heden nog te voorzien’.
De verdiensten variëren dit jaar van ƒ 130 tot ƒ 200 per hoofd. Voor elke schuit betekent dit een revenu van ƒ 390 tot ƒ 600. Niettemin zou de visserij zonder de premie van rijkswege niet kunnen bestaan.
Uit het Jaarverslag der Zeeuwsche Visscherijen over 1851 kunnen we opmaken dat ook de schardijn nabij Vlissingen dit jaar in overvloed wordt gevangen.

Wel doen zich dit jaar enige ongelukken voor. De visschuit nummer 3 van Jacob Meerman wordt door de storm van z’n anker losgeslagen en op de dijk van de Oostwatering geworpen. Daardoor ontstaat een niet geringe schade van ongeveer ƒ 800. Als tegemoetkoming wordt hiervoor in de provincie Zeeland een collecte gehouden.
Ook de visschuit nummer 6 van Marinus van Belzen wordt aan het eind van het jaar door een Belgische loodsboot aangevaren. Daardoor wordt een schade veroorzaakt van ƒ 30 à ƒ 50. Ingevolge het Wetboek van Koophandel kan hiervoor schadevergoeding worden verkregen.

* * *

Over de Hervormde Gemeente vermelden we de volgende bijzonderheden.

Het jaar begint met het onder censuur stellen van de geneesheer J. Oversluijs wegens misbruik van sterke drank. Over deze zaak is heel wat te doen tussen kerkenraad en gemeentebestuur. Dokter Oversluijs wordt kort daarop drie maanden geschorst door het gemeentebestuur als geneesheer voor de armenpraktijk. Mede een gevolg hiervan is dat de ontvanger van de armenkas z’n taak neerlegt ‘uit vrees voor meerdere ontwikkelingen’.
De kerkenraad benoemt meester Kwekkeboom tot de nieuwe ontvanger van de armenkas. Tot nu toe berustte de boekhouding bij de predikant ds. Haesebroeck. Aan de gemeenteraad wordt gevraagd of deze dit goedkeurt en een bezoldiging aan Kwekkeboom wil toestaan. De gemeenteraad vindt dit echter een bevoegdheid van de kerkenraad. Zij moet zelf de verantwoordelijkheid maar nemen voor ‘het begeren van een ontvanger over haar administratie en het ontnemen van het aan de Leraar toevertrouwde boekhouderschap’.

In februari wordt op gestelde vragen aan de Classis geantwoord, dat er in de winter geregeld onderwijs in bijbelse geschiedenis is, ‘s zondags tweemaal. Dit onderwijs ontvangen 25 kinderen, 3 jongelingen, 28 meisjes, 11 volwassen mannen, 25 gehuwde vrouwen en 25 schoolkinderen. Ook blijkt uit de gegeven antwoorden dat ‘er niet meer gepredikt is in het kerkgebouw door afgescheiden leraars sedert 21 mei 1850’. En ook dat ’s winters ongeveer 60 en ’s zomers 30 personen geneeskundige verpleging ten laste van de diaconie ontvangen.

De kerkerekening over 1850 sluit met een batig saldo van ƒ 60,46 (ontvangen ƒ 548,52 en uitgaven ƒ 488,06); de armenrekening met een goed slot van ƒ 11,90 (ontvangsten ƒ 1.478,55 en uitgaven ƒ 1.466,65).
In april wordt er weer kerkvisitatie gehouden. Hiervan wordt aangetekend dat ‘allen zich verenigen tot de belofte om zoveel in hun is de ergernissen weg te nemen en tot elkanders genoegen en der gemeente welzijn de opgelegde betrekkingen waar te nemen’. Ook wordt meester Kwekkeboom tijdens de zitting binnen geroepen om te proberen het geschil met de leraar bij te leggen. De leraar ‘geeft maar weer toe om der vrede wil en heeft zich alweder een opoffering van zijn zijde getroost en geeft de hand der verzoening’.

De kerkenraad geeft de kerkvisitatoren bericht van ‘de diep ellendige toestand harer talrijke armen. De nood is zo hoog geklommen dat zij, bij gebrek aan de meest noodzakelijke levensbehoeften, bijna geen kleding hebben om hun naaktheid te bedekken. De diaconie is geheel uitgeput. De subsidie van de burgerlijke gemeente kan niet hoger worden opgevoerd. De kerkenraad, tot het uiterste gekomen en geen andere weg ziende, kan die hooggestegen nood niet langer verborgen houden. Gevraagd wordt om liefdegaven om tot kleding der vele naakten te dienen’.

Namens de Classis Walcheren schrijft ds. Slotemaker op 7 juni een brief met de volgende inbond: ‘Het verheugt mij dat mijn bemoeiing voor de armen uwer gemeente zo gezegend is, dat ik een vrij aanzienlijke som heb bijeengezameld van cirka ƒ 300’. Hij verzoekt zo spoedig mogelijk een lijst van kledingstukken voor de armen toe te zenden.

De kerkenraad besluit in juli geen armenbegroting voor 1852 in te dienen, omdat de post voor de bedeling van de armen van het gemeentebestuur niet opnieuw op ƒ 500 mag worden gebracht, de bedeling daarvan niet meer aan de kerkenraad of het armbestuur wordt overgelaten en de kerkenraad geen andere geneesheer voor verpleging van de armen mag gebruiken. Verklaard wordt ‘dat zij dan liever haar betrekking als diaconie-armbestuur ter nederlegt of een scheiding tussen algemeen en diaconie-armbestuur voorstelt’. De gemeenteraad reageert kort en bondig: als er geen begroting wordt ingediend, dan zal ook geen subsidie worden verleend.
Ook het verzoek van de kerkenraad om voor de verpleging van de armen een andere geneesheer te mogen inzetten wordt afgewezen, omdat de huidige geneesheer Oversluijs wettelijk tot die betrekking geroepen is.
Opmerkelijk is dat kort daarna de andere geneesheer Jan Noom een verzoek tot Gedeputeerde Staten richt om begiftigd te worden met de verzorging van de niet gealimenteerde armen. Dit verzoek wordt echter terzijde gelegd omdat dit aan de gemeenteraad gericht dient te worden. Over de gerezen moeilijkheden wordt op 30 augustus op het stadhuis een conferentie tussen gemeentebestuur en kerkenraad gehouden. Deze leidt echter tot niets; aan de wens van de kerkenraad wordt niet toegegeven.
Uit het notulenboek is af te leiden dat de spanningen gedurende het tweede halfjaar voortduren. Het blijft broeien en gisten.

In december wordt een bespreking belegd tussen de kerkenraad en het gemeentebestuur. Daarin wordt duidelijk gemaakt dat de gemeente geen middelen heeft voor een buitengewone subsidie. De kerkenraad wordt aanbevolen haar noden in de Middelburgse Courant bekend te maken. Dit wordt op de volgende wijze en met een gunstig resultaat door de kerkenraad gedaan:

Het diaconie en gesubsidieerde armbestuur der Hervormde Gemeente van Arnemuiden, een uitnodiging der stedelijke regering ontvangen hebbende om op middelen bedacht te wezen ter aanvulling van het tekort op het artikel der collecten, heeft besloten tot het doen van 2 buitengewone collecten alhier op de 20e en 25e december, waarvan door hetzelve mededeling wordt gedaan aan Middelburgs ingezetenen, hopende en wensende dat de goede God de harten der rijken moge bewegen tot het uitreiken van een milde penning, terwijl het armbestuur, dat zich dankbaar voelt getroffen over het vele goede dat hetzelve van Middelburgs ingezetenen toevloeit, met vertrouwen zich aanbeveelt en verzekert dat elke gift hoe gering ook, welkom zal wezen, die door de bereidwilligheid des heren L.H. de Blaecke de Ligny, de secretaris dezer gemeente C.J. Baars in handen zal worden gesteld om tot ondersteuning der diaconiefondsen te verstrekken.

In de plaats van de per 1852 aftredende diakenen Jacob Bliek en Willem Baas worden door de gemeenteraad benoemd Andries Boogert en Robbert van Belzen, dit echter op voorwaarde dat de goedgekeurde armenbegroting door de kerkenraad wordt aanvaard. Indien de begroting niet wordt geaccepteerd, dan zullen ingaande 1853 geen diakenen meer door het Stadsbestuur benoemd en ook de begroting niet meer goedgekeurd worden.
Voor de aftredende ouderlingen Salomon van Eenennaam en Cornelis Oreel worden op dubbeltal gesteld Laurens van Eenennaam, Pieter Kraamer, Adriaan Meerman en Abraham Marijs. Niet meer vermeld wordt wie gekozen is; wel dat Meerman en Marijs bedanken voor de nominatie.

Uit de stukken van de kerkvoogdij blijkt dat het rondom de oude kerk gelegen kerkhof wordt verpacht aan C. van Eenennaam. Het is met een doornheg gescheiden van de erve van Abraham van Eenennaam. De pachter moet zorgen dat het kerkhof behoorlijk gesloten blijft.

Het notulenboek eindigt op 19 december. Vermeld wordt dat op de belegde kerkenraadsvergadering slechts aanwezig zijn ouderling Van Belzen en de diakenen Baas en Van Belzen en dat men onverrichterzake uiteen gaat. Met dit trieste slot eindigt het notulenboek. Het opvolgende notulenboek over de jaren 1852-1876 is spoorloos verdwenen. Over de resterende jaren van de ambtsbediening van ds. Haesebroeck kan daardoor niets worden vermeld.