1834

De nieuwbenoemde secretaris C.J. Baars treedt pas in september daadwerkelijk in functie. De burgemeester geeft in de raadsvergadering van 23 september met een gevoel van opluchting te kennen ‘dat zijn zoon, de secretaris dezer stad, als officier bij de Zeeuwsche Mobiele Schutterij met onbepaald verlof uit zijn vrijwillige dienst is weergekeerd’. Tot nu toe was hij in verband met de veldtocht tegen de Belgen absent. Zijn vader, burgemeester Baars, notuleert de raadsvergaderingen gedurende zijn afwezigheid. Overigens wordt er maar vijfmaal vergaderd dit jaar.

De aftredende gewaardeerde raadsleden Abraham van Eenennaam en Leendert Wisse worden weer ‘met genoegen’ herbenoemd. De rekening over 1833 sluit met een batig saldo van ƒ 728,52 (de inkomsten waren ƒ 3.654,01 en de uitgaven ƒ 2.925,49). Het armbestuur sluit 1833 af met een gering overschot van ƒ 120,13 (de ontvangsten waren ƒ 966,23 en de bedelingen aan de armen ƒ 846,10).
De veldwachter van Arnemuiden en Kleverskerke Klaas Flink wordt op zijn verzoek eervol ontslagen. In zijn plaats wordt benoemd de 30-jarige Richard Abraham Straub uit Vlissingen.

De broodbakker Francois van Eenennaam, zoon van wethouder Abraham van Eenennaam en vader van de latere wethouder Hubrecht van Eenennaam, wonende naast zijn vader (deze heeft z’n timmermanswinkel ‘Het Welvaren’ op de hoek Langstraat/Marktstraat) in het tweede huis in de Langstraat, genaamd ‘De Hollandsche Tuin’, brengt ter kennis van het Stadsbestuur dat z’n zaagselkot aan de zuidzijde van de wal staat. Doordat het zaagselkot (het zaagsel dient voor het voorverwarmen van de oven) onbeschermd staat, verkeert hij steeds in de ongerustheid dat door onvoorzichtigheid van aldaar voorbijgaande lieden met brandende pijpen groot onheil teweeg gebracht zou kunnen worden. Hierdoor zou niet alleen hij van z’n gehele bestaan beroofd worden, maar wordt ook de gemeente aan de grootste rampen bloot gesteld.

Bakker Van Eenennaam krijgt toestemming om rond z’n zaagselkot een schutting te zetten. In dit verband is vermeldenswaard dat een andere zoon van wethouder Abraham van Eenennaam, Laurens, ook bakker is. De zoon van Laurens, Salomon, zal later gedurende wel een halve eeuw raadslid, wethouder en burgemeester van Arnemuiden zijn.

* * *

In november geeft burgemeester Baars als voorzitter van de Commissie van Toezicht op de keersluis te kennen, dat nieuwe rampen aan de keersluis in het Arnemuidse kanaal het noodzakelijk maken dat opnieuw buitengewone kosten daaraan moeten worden gemaakt. De vorig jaar hieraan verrichte herstelwerkzaamheden ten bedrage van ƒ 87 zijn vruchteloos geweest. Het belang van de keersluis vereist dat het herstel wordt voortgezet.

De straatmest wordt voor drie jaar verpacht aan P.D. van Citters voor ƒ 85 voor een periode van drie jaar.
De verpachting van het veer op het Nieuwland gebeurt voor 7 jaar aan Maatje van de Gruiter voor ƒ 186 per jaar.

Ook in 1834 overlijdt een groot aantal inwoners, namelijk 56, waarvan zeer vele nog jonge kinderen. Onder hen noemen we ook de 34-jarige korenmolenaar Abraham Joosse.

* * *

De visserij wordt dit jaar volgens het jaarverslag van burgemeester Baars bedreven met 17 kordeschuiten en 16 hoogaarzen. In zijn Aardrijkskundig Woordenboek rept Van der Aa over 21 schuiten en 19 hoogaarzen. We houden het maar op het door burgemeester Baars opgegeven aantal.

Rampen blijven de vissersvloot niet bespaard. Aan het einde van het jaar vergaat één van de visschuiten, waarbij de schipper en vier matrozen omkomen. Van een andere schuit is ook een matroos afgeslagen en verdronken. Hierdoor worden dit jaar zes weduwen en een aantal kinderen in diepe armoede gedompeld. In hun hooggaande behoeften is door een collecte in Zeeland voor enige tijd voorzien geworden.

De vangsten en opbrengsten zijn dit jaar zeer afwisselend. Het 1e kwartaal begint vrij hoopvol. Er vertoont zich vooral tamelijk grote schol onder de kust, waarvan aardig wat wordt gevangen.

Aan het Fort van Bath verkopen de Arnemuidse vissers de gevangen vis aan Brabantse opkopers. Op de tekening zijn enkele vissersschuiten te zien.
Aan het Fort van Bath verkopen de Arnemuidse vissers de gevangen vis aan Brabantse opkopers. Op de tekening zijn enkele vissersschuiten te zien.

Vanaf april wordt heel wat schelvis gevangen. Deze is al verscheidene jaren niet meer aan de kust gezien. De schelvis vermenigvuldigt zo zeer, dat ze voor een spotprijs wordt verkocht. Vanaf juli wordt meer tong, schol, griet en tarbot gevangen. Vanaf het najaar wordt veel rog en op het einde van het jaar een overvloed van schardijn gevangen. De schardijn wordt ook in de binnenwateren door de grote schuiten gevist. De vangst van de hoogaarzen is het hele jaar door zeer gering: de garnaal, bot en schar zijn bijzonder klein. Door de grote vangst van schardijn in het najaar wordt het jaar toch weer wat goedgemaakt.

De schippers van de grote schuiten wordt het toegestaan aan het Fort van Bath in Zuid-Beveland enige gevangen vis te verkopen aan Brabantse vissers. Ook liggen er - sinds dat de onlusten met België ten einde zijn - gedurende de maanden mei tot november aan het eind van het Arnemuidse kanaal in het Sloe weer Antwerpse schippers, die voornamelijk de gevangen rog overnemen. Deze is namelijk in Antwerpen erg geliefd. In de wintermaanden gaan de schuiten opnieuw kabeljauw en schelvis in de Goeree kopen, o.a. voor de Arnemuidse visleursters om uit te venten.

Burgemeester Baars pleit in zijn jaarverslag over 1834 voor een tegemoetkoming aan de vissers zoals bij de Hollandse schuiten, al was het maar ƒ 100 voor onderhoud. Hij wijst er op dat er vroeger meer zoutketen waren en er meer kleine vis, oesters en mossels te vangen was, waarvoor in december meer dan 30 hoogaarzen gebezigd werden.

* * *

Voor de Hervormde Kerk is 1834 een zeer bewogen jaar. De zogenaamde Afscheiding voltrekt zich. Uit de notulen, niettegenstaande deze over 1834 zeer beknopt zijn, blijkt niets over onrust als gevolg van de Afscheiding.
Historisch is dat er in de beginjaren van de Afscheiding slechts één persoon zich afscheidt en overgaat naar de Christelijk afgescheiden gemeente te Middelburg, namelijk Maarten Kraamer, de kleermakersbaas, schoonvader van de latere burgemeester C.J. Baars. In latere jaren, vooral tijdens de ambtsbediening van ds. Haesebroeck te Arnemuiden, zijn velen de kerkdiensten van de Christelijk afgescheidenen te Middelburg gaan bijwonen.
Dat de Hervormde Gemeente van Arnemuiden vrijwel geheel in stand bleef is menselijkerwijs waarschijnlijk te danken aan de zegenrijke ambtsbediening van de zeer geliefde en geachte ds. J. Wanrooy.

In 1834 worden slechts drie kerkenraadsvergaderingen gehouden, waarvan de notulering zeer beperkt is. In de plaats van de aftredende ouderlingen Jacob de Nooijer en Lieven Verstraate worden gekozen Blaas de Nooijer en Jacob de Quelerij. Voor de aftredende diakenen Marinus Keur en Jacob Meerman worden gekozen Joost Smout en Anthonie de Mol.